Voorwoord


In aanmerking genomen dat wij allen deel uitmaken van de Aarde, een ondeelbare gemeenschap, bestaande uit onderling afhankelijke wezens verbonden door een gemeenschappelijke toekomst;


In aanmerking genomen dat onze Aarde bron is van leven, van materie, van onderricht, en dat zij ons alles verschaft wat we nodig hebben om prettig te leven;


In aanmerking genomen dat de mensheid een bepalende factor is in deze omstandigheden, die van

wezenlijk belang zijn voor de ontwikkeling van het leven;


In aanmerking genomen dat onbekendheid met en minachting voor het recht van het leven, net als beroving, uitbuiting en vervuiling, grote schade hebben berokkend en verschuivingen hebben teweeggebracht in de levensomstandigheden, waardoor het fundamentele evenwicht, nodig voor de ontwikkeling en het behoud van het leven op Aarde, in gevaar komt;


In aanmerking genomen dat het onmogelijk is eenzijdig rechten toe te kennen aan menselijke wezens alleen, zonder daardoor het evenwicht van de Aarde als geheel te verstoren;


In aanmerking genomen dat, indien wij de mensenrechten willen garanderen, het noodzakelijk is de rechten van de Aarde te erkennen en te verdedigen, als ook die van alle levende wezens die deel van haar uitmaken;


In aanmerking genomen dat het ondernemen van gemeenschappelijke beleidsbepalende acties, die ervoor moeten zorgen dat huidige structuren en systemen die grote verwoestingen aanrichten op de Aarde, veranderen, dringend noodzakelijk is;


Wij, bewoners van de Aarde, benoemen hierbij de Universele Rechten van de Aarde tot gemeenschappelijk ideaal, na te streven door alle volkeren en alle naties, zodat alle individuen en alle maatschappelijke instellingen die deze Verklaring voor ogen hebben, zich voortdurend inzetten voor een toenemend respect voor deze rechten en vrijheden, door middel van onderwijs en scholing, voor de bewustwording en daadwerkelijke universele toepassing ervan; en vooruitstrevende maatregelen nemen, op nationaal en internationaal niveau.



Artikel 1.


De Aarde is een levend wezen.


Artikel 2.


Alle levende wezens die de aarde bevolken vertegenwoordigen een deel van de verscheidenheid aan bestanddelen waaruit de Aarde is opgebouwd.


In de term "wezens" zijn inbegrepen alle ecosystemen, alle gedaanten en andere natuurlijke eenheden die er bestaan en die deel uitmaken van de Aarde.


Artikel 3.


Elk leven moet worden geëerd, gerespecteerd en beschermd, afgezien van het nut of onnut ervan voor de mens.


Alle wezens hebben recht op eerbied, op welzijn en op een leven vrij van marteling of wrede mishandeling door menselijke wezens.


Artikel 4.


Net zoals de menselijke wezens menselijke rechten genieten, hebben alle andere wezens van de Aarde hun eigen specifieke bestaansrechten die samenhangen met de rol en de functie die zij op de Aarde bekleden.


Artikel 5.


De Aarde en alle wezens die deel van haar uitmaken zijn benoemd tot rechtmatige bezitters van alle rechten verbonden aan en erkend in deze Verklaring, zonder enig onderscheid in soort of afkomst of welk onderscheid dan ook.


Artikel 6.


De rechten van elk wezen worden begrensd door de rechten van de andere wezens, en elk conflict ten aanzien van deze rechten moet worden opgelost met behoud van de integriteit, het evenwicht en de gezondheid van de Aarde.


Artikel 7.


De Aarde en alle wezens die onderdeel van haar uitmaken hebben het recht om te leven en te bestaan, het recht op regeneratie van hun biologisch vermogen en op een goede ontwikkeling van hun levenscyclus en -processen.


Alle wezens hebben recht op water als eerste levensbehoefte, op zuivere lucht, op volle gezondheid, op vrij te zijn van besmetting, van verontreiniging en van giftig of radioactief afval.


Alle wezens hebben er recht op om niet genetisch gewijzigd te worden, noch structureel te worden vervormd; het zou hun integriteit en hun levend en gezond functioneren bedreigen.


Artikel 8.


Alle menselijke wezens hebben de plicht de Aarde te respecteren en in harmonie te leven met de levens waaruit zij is opgebouwd.


Artikel 9.


De menselijke wezens hebben de opdracht te handelen overeenkomstig de rechten en plichten zoals onderschreven in deze Verklaring, en ervoor te zorgen dat het verlangen naar menselijk welbehagen bijdraagt aan het welbehagen van de Aarde, in het heden en in de toekomst.


Artikel 10.


De menselijke wezens hebben de plicht tot bevordering van en deelneming aan kennisoverdracht, aan onderzoek, aan uitleg geven over alle mogelijke levensvormen in harmonie met de Aarde, overeenkomstig deze Verklaring.


Artikel 11.


De menselijke wezens hebben de plicht om instellingen te overtuigen van de noodzaak de rechten van de Aarde te verdedige en te zorgen dat normen en wetten ten behoeve van de verdediging, de bescherming en het behoud van de Rechten van de Aarde worden opgesteld en toegepast.


Artikel 12.


De menselijke wezens hebben de verantwoording voor het behoud van de levenskringloop en-balans van de Aarde, deze te respecteren, te beschermen en daar waar nodig te herstellen; en ze hebben de verantwoording voor het uitschrijven van voorzorgs- en beperkende maatregelen om te voorkomen dat de handelingen van de menselijke wezens leiden tot de uitroeiïng van andere soorten, tot de vernietiging van ecosystemen of tot de verandering van ecologische cycli.


Artikel 13.


De menselijke wezens hebben de plicht om levensvormen, economische modellen en politieke ontwikkelingen te bevorderen die de Aarde en de rechten onderschreven in deze Verklaring, respecteren.

Verklaring van de Universele Rechten van de Aarde


  Home  I  FAQ  I  Go further  I  Donate

 

To find out more about the Universal Declaration of Earth's Rights, click here.

© Terre Mère 2010

www.terre-mere.org